Waarom schaatsers op de Olympische Spelen hun handen op de rug houden
Stef Nagel

Als er één sport is waarin iedere duizendste van een seconde het verschil kan maken tussen goud en zilver, dan is het wel schaatsen. Elk detail is er van levensbelang. Van de afstelling van de schaats tot de hoek van het lichaam, en zelfs de plek van de armen. Niet voor niets rijden topschaatsers op de Olympische Winterspelen hun rondjes tegenwoordig steeds vaker met beide handen strak op de rug.
Iemand die daar een echte meester in is of eigenlijk: het zonder handen doet, is onze coverman én Olympisch-kampioen Jens van ’t Wout. In dit filmpje zie je hoe hij de finale domineert, ogenschijnlijk moeiteloos glijdend, met zijn armen keurig opgeborgen achter zijn rug.
Schaats je sneller met je handen op je rug?
In het geval van Jens van ’t Wout wel. Dat komt doordat de goudenmedaillewinnaar slim omgaat met luchtweerstand. Door zijn armen op de rug te houden, wordt zijn houding aerodynamischer. Het resultaat: met dezelfde kracht vanuit de benen kan hij harder schaatsen. Volgens aerodynamica-onderzoeker Wouter Terra levert dat op de 1000 meter zelfs een voordeel van enkele tienden van een seconde op.
Is schaatsen met je handen op de rug áltijd sneller?
Nee, niet per se. De armzwaai speelt ook een belangrijke rol bij het bewaren van balans. Zeker in bochten of bij vermoeidheid kunnen de armen helpen om stabiel te blijven. Daarnaast kun je via de armzwaai extra kracht genereren. Voor de één werkt schaatsen met de handen op de rug dus beter dan voor de ander. Maar wie zijn voordeel wil halen uit aerodynamica, doet er goed aan het voorbeeld van Jens te volgen en de handen op de rug te houden.
Bron: NTR Wetenschap
Meer van Men's Health? Volg ons ook op Facebook en Instagram.














