Nederland kickboksland: de aantrekkingskracht van de ring
Collage: Barbara van Druten

Zeg je kickboksen, dan zeg je Glory. Al dertien jaar is dit kickboksevenement marktleider en heeft het talloze (Nederlandse) kampioenen voortgebracht. Maar wat is de magie van de sport? Wij doken de ring in met een aantal zwaargewichten.
Mocht je de definitie van bloed, zweet en tranen willen ontdekken, dan wil ik je van harte welkom heten in de wereld van het kickboksen. Het moment dat ik begin met het schrijven van dit artikel, loop ik toevallig de eigenaar van een van de grootste (kick)boksscholen in de stad tegen het lijf. Onder het mom van inspiratie opdoen, knoop ik een praatje met hem aan. Hij heeft zelf wat jaren als pro gesleten, vooral in en rondom New York. Vijftien wedstrijden gevochten, één verloren. Vier knockouts. ‘Ik ben gestopt toen mijn onderkaak ongeveer van mijn gezicht geslagen was. Dat was die ene keer dat ik verloor, toen was ik er klaar mee,’ zegt hij droogjes. Hij ziet het afgrijzen in mijn gezicht en lacht: ‘Maar het is een prachtige sport. Je kunt elkaar tot moes slaan en elkaar daarna de grootste omhelzing geven. Dat is toch prachtig.’
Dat het prachtig is, zijn velen met hem eens. Kickboksen is al jaren razend populair. Niet alleen om zelf even wat stoom af te blazen in je lokale kickboksgym, maar ook om naar te kijken. En zeg je kickboksen kijken, dan zeg je Glory. Al dertien jaar is het kickboksevenement een van de grootste ter wereld en zijn er heel wat roemruchte vechters één geworden met het canvas.
Glory is de grootste kickboksorganisatie ter wereld. Het is een machine voor vechtmachines, die vaak een aardig zakcentje overhouden aan het behalen van die felbegeerde gouden ‘belt’ (die overigens niet is gemaakt van solide goud, maar ‘slechts’ gold plated is met 6 gram goud). Zo strijken de (zwaargewicht)kampioenen vermoedelijk plusminus een half miljoen, plus bonussen, op tijdens een titelgevecht.
De kracht van een goeie afranseling
De aantrekkingskracht van Glory is groot. Zowel voor vechters als voor het publiek. Maar waar komt die aantrekkingskracht, naast een heerlijke pot prijzengeld, vandaan? ‘Voor vechters is het simpel: Glory is op dit moment de grootste. Ze willen deel uitmaken van dat selectieve clubje mannen die tot de grootsten van de wereld behoren,’ zegt voormalig kickbokskampioen Remy Bonjasky. Bonjasky werd driemaal K-1 wereldkampioen en was 22 jaar actief als pro in de ring.
Wat drijft een kickbokser toch om elke keer weer die ring in te stappen, wetende dat een afranseling eerder regel dan uitzondering is? ‘Ja, waarom stapt iemand op een paard als je weet dat je ervan af kunt vallen?’ zegt Bonjasky. ‘Het is lastig uit te leggen aan iemand die dat nooit heeft ervaren. Ikzelf wilde gewoon dat duizenden mensen mijn naam zouden scanderen als ik die ring in zou stappen. Dat gevoel is niet te beschrijven. Bovendien is respect een van de bouwstenen van de vechtsport. Dat maakt het zo mooi. Na het tikken eindig je de wedstrijd gewoon met een knuffel, want je weet dat je tegenstander door dezelfde hel is gegaan als jij. Daar heb je respect voor. Je weet dat hij ook elke dag twee à drie keer in de sportschool heeft gestaan met een ijzeren discipline, en dat hij elke keer weer is gegaan – zin of geen zin. Natuurlijk heb je dan respect voor elkaar.’
Volgens cijfers van het RIVM telt Nederland zo’n 65.000 (recreatieve) (kick)boksers. De populariteit van de sport is groot, maar we zijn ook uitermate goed vertegenwoordigd in de ring. Een snelle Google-zoekopdracht met de tekst ‘Nederlandse kickbokskampioenen’ laat je zeker zo’n 81 mannelijke en vrouwelijke vechters zien die ooit om een titel hebben gestreden. Geen slechte score voor een klein landje – zeker niet als je bedenkt dat veel van die vechters de wereldkampioenstitel op hun naam hebben geschreven, of er in ieder geval om hebben gestreden. Nieky Holzken, Alistair Overeem, Semmy Schilt, Peter Aerts, Rob Kaman, Remy Bonjasky, Badr Hari, Ernesto Hoost en natuurlijk Rico Verhoeven zijn een aantal – letterlijk en figuurlijk – zwaargewichten die de sport hebben gedomineerd.
Groot en atletisch
Waarom Nederlanders zo goed vertegenwoordigd zijn in de vechtsport? ‘Grotendeels ligt dat aan ons fysiek, onze bouw. Veel Nederlanders zijn groot en atletisch,’ zegt Mark Schaaf, groot kickboksfanaat, presentator en tot voor kort hét gezicht van Glory Kickboxing. ‘De Nederlandse stijl kickboksen is het begin geweest van het kickboksen van nu. Vroeger had je Jan Plas en Thom Harinck, zij zijn naar Japan gegaan om te leren van de karatesport. Daar hebben ze de low-kick leren kennen en verwerkt in onze stijl,’ zegt Schaaf.
Bonjasky voegt daaraan toe: ‘De Nederlandse trainingsmethodes zijn ontzettend goed. Onze trainers zijn van een heel hoog niveau en ze snappen het spel. Dat heeft heel erg meegeholpen, zeker in de jaren ’90. In die tijd hadden we kampioenen in bijna alle klassen. We wonnen alles. Dat waren de gloriejaren. Dat was een lichting die we nog nooit zo hadden gezien, mannen van staal. Ernesto Hoost, Peter Aerts, Semmy Schilt,’ zegt Bonjasky. ‘En Remy Bonjasky, natuurlijk, haha. Was de rechterhand stuk? Dan ging je gewoon door met de linker. Dat was de instelling.’
© Collage: Barbara van DrutenIllustratie Geogle Hackensmidt
Alle mannen die ik spreek over het kickboksen zijn het met elkaar eens: de sport heeft een flinke transitie doorgemaakt sinds die gloriejaren. Vechters zijn voorzichtiger, de infame low-kick is een beetje uit de ring verdwenen, maar de sport is ook bijgeschaafd qua professionaliteit. ‘De vechters van vroeger waren echte vechtjassen. Nu zijn het atleten, sportmannen,’ zegt Schaaf.
Hij vertelt een anekdote over zwaargewichtkampioen Peter Aerts, die bij een groot kickboksevenement in het publiek zat met een biertje en een broodje kroket. Aerts werd tijdens het evenement uit het publiek gehaald, omdat een van de zwaargewichten uitviel. Luttele minuten later stond hij in de ring. ‘Het was toen allemaal wat minder tactisch, minder gelikt. Deels is dat mooi, deels is dat een nadeel.
Kampioenen kunnen nu heel lang kampioen zijn, omdat ze tactisch zijn. Vroeger was de instelling: ik ga die gast helemaal verrot slaan,’ zegt Schaaf. Bonjasky is het roerend met hem eens. ‘Sommige zwaargewichten hebben een opvallend lage knock-out-ratio. Terwijl je juist bij zwaargewichtgevechten verwacht dat die ratio hoog ligt. Dat vind ik jammer. Vechtsport draait om laten zien dat je beter bent. En een knock-out is daarvan het ultieme bewijs.’
'‘Ik ben gestopt toen mijn onderkaak ongeveer van mijn gezicht was geslagen''
Waarom we graag een goed gevecht zien
En stiekem zit het misschien ook in ons DNA, of ligt het in lijn met onze evolutie om te willen zien dat de andere partij ‘uitgeschakeld’ wordt. Een goed pak rammel zorgt al eeuwen voor publieksvermaak. Vermoedelijk begon dat al in de derde eeuw voor Christus, toen op Romeinse begrafenissen twee slaven gedwongen werden om tot de dood met elkaar te vechten. Tegenwoordig gebeurt dit laatste uiteraard niet meer, maar is het goed te verklaren waarom we graag kijken naar een stevig gevecht, zegt psycholoog Thijs Launspach.
‘We hebben als mens altijd te maken met een hiërarchische verdeling. Om die reden willen we graag weten waar wij en anderen staan in de groep. Wie is de sterkste, de grootste. De bokito op de apenrots, zeg maar. De winnaar is iemand om ontzag voor te hebben, iemand die je volgt. Er zullen weinig mensen zijn die bij Rico Verhoeven of Badr Hari denken: ik kan hem wel hebben. Dat is iets heel oers. Daarnaast hebben we als mens twee heel duidelijke drijfveren: getting along versus getting ahead. Aan de ene kant willen we graag bij een kamp horen, dat zie je bij voetbalwedstrijden heel sterk, maar dat is ook iets wat meespeelt als twee vechters tegenover elkaar staan. Aan de andere kant hebben we een drive tot competitie. We zijn constant bezig met krachtmetingen. Vechtsport is daar natuurlijk het ultieme voorbeeld van,’ duidt Launspach.
Een paar weken later loop ik de eigenaar van de boksschool weer tegen het lijf. Altijd vrolijk, altijd vriendelijk. Blijkbaar is dat de mentale staat als je vaak genoeg stoom afblaast. Of ik zelf al geïnspireerd ben geraakt om te boksen, vraagt hij. ‘Misschien. Maar ik heb niet zoveel zin om m’n kaak van m’n gezicht af te laten slaan.’ Hij legt uit dat ik me daar echt geen zorgen over hoef te maken en dat ik zeker niet zomaar de ring in geduwd word. Goed, ik zal er eens over nadenken. Een half miljoen klinkt ergens wel aantrekkelijk. Tot die tijd blijf ik gewoon veilig voor de televisie zitten, Glory kijken.




