Ga gewoon lekker zweten

Minder analyseren, meer trainen: zijn we té veel gefocust op data?

Redacteur Men's Health

GettyImages

GettyImages

Een wetenschappelijk onderbouwde aanpak kan ons helpen om optimaal te trainen en sneller vooruitgang te boeken. Maar er schuilt ook een risico: dat we zó afhankelijk worden van cijfers en metingen dat we het harde werk zelf uit het oog verliezen.

De gemiddelde sportschoolbezoeker weet tegenwoordig zóveel over spiergroei dat hij er gerust een college over kan geven. Dankzij platforms als YouTube en Spotify hebben we onbeperkte toegang tot hapklare video’s en podcasts. Die kennisexplosie komt vooral door de opkomst van de science-based influencer, die zich onderscheidt met wetenschappelijke onderbouwing.

In theorie kunnen we daardoor slimmer trainen dan ooit, onze processen verfijnen en onze resultaten maximaliseren. Maar de slinger beweegt inmiddels de andere kant op: steeds meer mensen vinden dat de wetenschappelijke benadering alles onnodig ingewikkeld maakt en niet meer is dan nieuwe clickbait. “Een groot deel van de tegenreactie komt doordat ‘science-based’ vaak als marketingtool wordt gebruikt,” zegt coach en YouTuber Geoffrey Verity Schofield. Dus wie heeft gelijk? Is trainen op basis van de nieuwste inzichten echt zo waardevol, of zijn we simpelweg aan het overanalyseren?

We zagen resultaat door simpelweg hard te werken

Vroeger maakte niemand zich druk om exacte rusttijden tussen sets, of om welke oefening nu precies meer spieractivatie oplevert: de lat pulldown of de bent-over-row. Toen we begonnen met trainen, had de meesten van ons geen idee wat we deden en toch zagen we resultaten, simpelweg door consistent hard te werken. Zo bouwden ook enkele van de beste bodybuilders ooit hun fysiek op. Kijk maar naar video’s van Arnold, Franco Columbu of Lou Ferrigno: hun enige doel was falen bereiken… en daarna nog een stap verder gaan.

Een voorbeeld van die mentaliteit is Mike Mentzer, die draaide om extreem hoge intensiteit. Mentzer geloofde dat zolang je genoeg rust had om te herstellen, je vooral zo hard mogelijk moest trainen. Dat klinkt bruut, maar het is leuk. Het was zelfs wat velen van ons aantrok toen we begonnen. Er is iets verslavends aan jezelf tot het absolute uiterste pushen en dan nóg een beetje verder gaan. En dan nog het gevoel als je een vriend helpt zijn laatste set af te maken terwijl hij je in elke taal vervloekt. Dat waren de goede oude tijden.

Is wetenschap voor watjes?

Als je eenmaal weet hoe je je spieren moet prikkelen, wordt trainen efficiënt en bevredigend. Daar heb je geen studieboeken voor nodig. Voor beginners kan een te grote focus op “mind-muscle connection” of “RPE-schalen” het juist lastiger maken. Mensen hebben járen besteed aan het uitpluizen van het perfecte trainingsschema en de ideale voeding, zonder ooit echt hard te werken in de gym. Op dat punt wordt science-based training gewoon een manier om uit te stellen.

Slimmer of harder trainen

Het tegenargument: er is niets mis met trainen op basis van onderzoek. Zo train je slimmer, niet per se harder. Het kan ook motiverend zijn als je van data houdt: weten dat je elke variabele optimaliseert, kan je het gevoel geven dat je een superheld bent. Bovendien helpt kennis van anatomie en fysiologie blessures en overbelasting te voorkomen. Daarom werken trainers van topatleten vaak met zo’n aanpak.


“In topsport zijn data essentieel om prestaties te monitoren en te voorspellen,” zegt zesvoudig wereldkampioen en tweevoudig olympisch roeimedaillewinnaar Alex Gregory. “Bij het Britse team werden we dagelijks geanalyseerd door enkele van de beste sportwetenschappers om zeker te weten dat we steeds in de juiste richting bewogen. De hoeveelheid data die je uit één trainingssessie kunt halen is ongelooflijk.”
Als de besten het zo doen, is dat dan niet wat je zou moeten volgen?

Mind VS Muscle

Critici van science-based trainen wijzen graag op dit ongemakkelijke feit: veel van de grootste mannen in de gym volgen helemaal geen wetenschappelijke aanpak. Ze doen klassieke bro splits die volgens de gymnerds suboptimaal zijn. Maar ja, luister je liever naar een theoreticus of naar een berg spieren?

Belangrijk is dat een indrukwekkend fysiek vaak ontstaat ondanks beperkte kennis. Genetica, jarenlange inzet of prestatie bevorderende middelen spelen een grote rol, en met een wetenschappelijkere aanpak hadden ze misschien zelfs sneller kunnen groeien. Bovendien sluit zelfs een simpel schema vaak onbewust aan bij wetenschappelijke principes, die bovendien breed te interpreteren zijn. “Er is geen strikte definitie van science-based training,” zegt Schofield. “Zowel hoog- als laagvolume-aanpakken claimen wetenschappelijk te zijn en beide hebben studies ter ondersteuning.” Zelfs Mike Mentzer werkte in feite volgens principes als herstel en progressie. Wie groeit, volgt altijd iets van de wetenschap, of hij dat nu doorheeft of niet.

Slechte interpretaties

De belangrijkste kritiek op science-based lifting is simpel: je hebt geen studie nodig om te weten dat bicep curls een pump geven, dat voel je. Wetenschappelijk onderzoek weerspiegelt bovendien niet altijd wat mensen in de praktijk ervaren. Dat is geen fout, maar precies hoe wetenschap werkt: goede studies eindigen met beperkingen, geen kant-en-klaar recept.

Neem een onderzoek dat hoog volume vergelijkt met laag volume. Als laag volume meer spiergroei oplevert, kun je denken dat zware gewichten en weinig reps altijd superieur zijn. Maar misschien verandert alles met een andere oefening, spiergroep, tempo of misschien behoor jij tot de kleine groep die anders reageert. Wetenschap probeert variabelen te beperken, waardoor conclusies alleen gelden binnen specifieke voorwaarden.

Als jouw training werkt, hoef je niets te veranderen. Het probleem is dat niet alle science-based creators dit begrijpen. Ze trekken harde conclusies uit beperkte data, of kiezen selectief studies om hun eigen ideeën of producten te promoten. Niet de wetenschap is het probleem, maar wat ermee gedaan wordt.

De benadering van gezond verstand

Zelfs als één methode 5% effectiever is dan een andere, moet je dan je hele aanpak omgooien? Tenzij je een topsporter bent die elke procent winst nodig heeft, waarschijnlijk niet. Het maakt niet uit of je training niet perfect is, zolang je vooruitgang ziet. Zelfs atleten op het hoogste niveau combineren wetenschap met traditionele methoden. “Sommigen gedijen op data, cijfers, analyses en technologie,” zegt Gregory. “Voor anderen werkt data juist overweldigend en stressvol. In dat geval kan een atleet de informatie gebruiken, maar onder zijn eigen voorwaarden.”

Schofield gebruikt die aanpak om een van de indrukwekkendste natuurlijke fysieken op YouTube op te bouwen. “Ik blijf op de hoogte van de wetenschap,” zegt hij. “Maar de beste manier om die te gebruiken is door haar te integreren in een intuïtieve en individuele aanpak.” Zelfs iemand als Jeff Nippard, misschien wel de bekendste science-based coach op YouTube, geeft toe dat hij soms een minder optimale oefening kiest omdat die voor hém het beste werkt.

Tekst gaat verder onder de video.

Doe gewoon wat je leuk vindt

En dat is waar we mee willen eindigen: doe wat je leuk vindt. Als dat betekent dat je de nieuwste wetenschappelijke inzichten tot op de letter volgt: perfect. Als dat betekent dat je vasthoudt aan je favoriete oefeningen en simpelweg progressief verzwaart: ook perfect. Laat studies je training versterken, niet ondermijnen. Analyseer vooral wie je volgt. En onthoud één ding: de enige resultaten die écht tellen, zijn die van jou. Training is persoonlijk.

De Men’s Health-gids om niet meer te hoeven overanalyseren

Of je nu gek bent op trainingswetenschap of niet, dit zijn de principes altijd die tellen:

Progressive overload

Voelt de belasting niet uitdagend? Voeg meer gewicht toe.

Consistentie

Blijf gedisciplineerd, dan komen de resultaten vanzelf.

Dicht bij falen trainen

Met andere woorden: intensiteit. Zonder uitdaging geen aanpassing.

Eiwitten eten

Uit dierlijke bronnen, plantaardige bronnen of supplementen, het maakt niet uit. Ze zijn essentieel voor spiergroei.

Dit artikel is gebaseerd op een artikel van Men's Health Latinoamérica.

Volg Men's Health ook op Facebook en Instagram.