Zwak Zaad verhalen
Je hebt een leuke vriendin, een goeie baan en een mooi huis. Een haast vanzelfsprekend vervolg is een kind. Totdat blijkt dat jij onvruchtbaar bent. Die kans is 1,33 op 100. Drie mannen vonden de moed met Men’s Health over hun onvruchtbaarheid te praten.
Achteraf bezien dacht ik wel heel makkelijk over kinderen krijgen,’ vertelt James Kennedy (35).
‘Toen er eens een condoom scheurde dachten we meteen: nu krijgen we een kind.’ Maar tijden veranderen, ook voor James. De relatie met zijn geliefde Monique (36) wordt alleen maar hechter, hij krijgt een goede, verantwoordelijke baan en ze betrekken een mooi huis. Om hen heen krijgen steeds meer vrienden en bekenden kinderen, en James en Monique besluiten dat voor hen ook de tijd daar is.
Zij twijfelen er geen moment aan dat Monique in no-time zwanger zal zijn. ‘Ik ben zelf de jongste van vijf kinderen, en mijn broers en zussen zijn net konijnen. Het kon gewoon niet anders of ik was van dezelfde soort.’
Vanaf dat moment is de seks ‘anders dan anders’. ‘Niet alleen meer voor het lekker. We hadden echt het gevoel dat we iets belangrijks aan het doen waren’, zegt James. ‘Elke keer dachten we: misschien wordt dit het gouden schot.’ Maar als de gewenste zwangerschap na een aantal maanden proberen uitblijft, wordt het steeds minder leuk.
Monique besluit dat ze maar eens een bezoekje moet brengen aan de huisarts. James hoeft niet mee; geen moment denken ze eraan dat het probleem weleens bij hem zou kunnen liggen. Bij vruchtbaarheidsproblemen denken ze in eerste instantie aan de vrouw, over mannen hebben ze op dat gebied nog nooit wat gehoord. ‘Behalve misschien dat die moeten oppassen voor de stang van hun fiets en al te strakke onderbroeken’, zegt James.
Samensmelting
Nu ook de derde ICSI-poging is mislukt, is het in principe einde oefening, vooral ook omdat James en Monique hebben besloten af te zien van een behandeling met donorsperma.
Wat overblijft is het zware acceptatieproces dat je nooit kinderen zult krijgen. James: ‘Ik vind het enorm jammer dat ik het wonder van de samensmelting van twee mensen dreig te missen. En dat we dus nooit met iemand zo’n sterke band zullen hebben als een ouder met zijn kind. We zijn met z’n tweeën en nu we dat waarschijnlijk ook zullen blijven, is dat een reden temeer om in onze relatie te investeren. Als we er nu zelf niets van maken, wordt het ook niets.’
Potje
De huisarts geeft Monique het advies haar temperatuurcurve bij te houden. Als die een fractie stijgt, is dat een teken dat haar ei-sprong heeft plaatsgevonden en dat ze vruchtbaar is. Dan weet het stel: vanavond moet het gebeuren. Maar echt ontspannen vrijen is dat niet. Bovendien blijft het beoogde resultaat uit.
Na een paar maanden gaat Monique dus voor nieuw advies naar de huisarts. James weet niet wat hij meemaakt als Monique thuiskomt met het befaamde ‘potje van de dokter’ voor hém. ‘Ik was oprecht verontwaardigd en riep: ik ga toch zeker niet met zo’n potje naar het ziekenhuis!’ Maar het is niet zo erg als hij denkt: het potje mag thuis gevuld worden, gewoon bij het vrijen. En om James de schande te besparen, zal Monique het naar het ziekenhuis brengen.
Een paar dagen later komt er een verontrustend telefoontje van het ziekenhuis. De test is ‘mislukt’; in het monster zijn geen levende zaadcellen aangetroffen. De test moet dus worden overgedaan. Als de tweede poging echter hetzelfde, negatieve resultaat oplevert, wil de arts zelf ook een keer kijken. In aanwezigheid van James en Monique doet hij wat sperma tussen twee glaasjes, voegt er nog wat vloeistof aan toe en bekijkt het preparaat door de microscoop. James: ‘We zagen hem gewoon verstrakken. Toen vroeg hij ons om zelf ook te kijken. Er was helemaal niets te zien. Alleen vloeistof, geen zaadcellen. Geen levende en ook geen dode.’
Prostaatkanker
Het komt vrij weinig voor dat mannen totaal onvruchtbaar zijn; verminderde vruchtbaarheid is gebruikelijker. Reden voor de arts om James de vreemdste veronderstellingen en vragen voor te leggen. ‘Misschien heb je een blokkade in een zaadleider?’ ‘En weet je zeker dat hij er bij het vrijen wel goed ingaat?’ Vervolgens meldt de arts in alle discretie dat hij ‘de patient’ doorverwijst naar de uroloog, om uit te sluiten dat James prostaatkanker heeft.
‘In een paar zinnen waren we van geen kinderen kunnen krijgen naar het grote, afschuwelijke woord kanker gegaan’, herinnert James zich, die aan het consult nog steeds met ongeloof terugdenkt. ‘Monique en ik hebben die dag samen weinig meer gesproken.’ Gelukkig geeft de uroloog snel uitsluitsel: van prostaatkanker is geen sprake, en hij heeft ook geen andere ziekten onder de leden. Maar hij heeft ook minder goed nieuws: James zal nooit kinderen verwekken, hij is volledig onvruchtbaar...
Het nieuws komt hard aan. ‘Ik kan het nog voelen. Net of je helemaal leeg bent en de wereld gewoon aan je voorbijgaat zonder dat je er zelf nog deel van uitmaakt. That’s it, doei, naar huis maar weer. Op de automatische piloot zijn we tot onze voordeur gekomen, toen drong het pas echt tot ons door. Monique heeft heel erg gehuild en ik voelde me enorm schuldig. Ze zeggen weleens: je hart breekt. Nou, op dat moment voelde ik dat echt gebeuren.’
De hele situatie gaat James niet in de koude kleren zitten. Twee jaar lang is hij als verlamd en tobben ze over het onderwerp ‘kinderen’. Via internet probeert hij allerlei informatie bij elkaar te zoeken; Monique zit vaak te chatten op speciale kanalen over het onderwerp. Het valt de twee op dat de discussies over mannelijke onvruchtbaarheid vooral worden gevoerd door vrouwen, omdat hun mannen er moeilijk over kunnen praten. James: ‘Wat een eikels, dacht ik eerst, tot ik me realiseerde dat wij wel praatten, maar dat bij ons feitelijk ook nog niets was gebeurd.’
Donorsperma
En dus besluiten James en Monique om te proberen of ze zwanger kan worden via kunstmatige inseminatie met donorsperma, het zogenaamde KID. Ze ontdekken dat ze de meeste kans op bevruchting hebben bij het Leids Universitair Medisch Centrum. Bij het vruchtbaarheidscentrum worden ze onderworpen aan een streng intakegesprek. Er wordt flink doorgevraagd of ze allebei wel toe zijn aan een kind van een anonieme donor. James: ‘Onze enige eis was dat de donor blond haar en blauwe ogen zou hebben, net als ik.’
Vanaf dat moment bepaalt Monique met een ovulatietest of ze vruchtbaar is. James is weer vol vertrouwen. ‘We waren heel positief: we hadden nu superzaad, Monique’s bloedtests waren helemaal in orde; wat kon er nu nog misgaan?’ Maar als Monique na zes inseminaties nog niet zwanger is, komen de artsen er achter dat bij haar een eileider verstopt is. Vanaf die maand kijkt de specialist steeds met een echoscopie welke eierstok van Monique ovuleert. Als dat aan de goede kant is, wordt een nieuwe poging ondernomen. James: ‘In totaal hebben we het twaalf keer geprobeerd, verspreid over drie jaar. Om gek van te worden. Twee jaar geleden hebben we de laatste test gedaan. In totaal waren we toen acht jaar beziggeweest.’
Niet echt een vrolijke periode, weet James. Want bij elke mislukte poging zakte het vertrouwen verder weg. ‘Ik zei elke keer als we naar huis reden tegen Monique: dit wordt ’m, ik voel het. Als dan een week later bleek dat het weer niet was gelukt, was het steevast janken, elke keer weer.’
Grens
Aangezien kunstmatige inseminatie niet schijnt te werken, stippen de artsen de mogelijkheid aan om een reageerbuisbevruchting (IVF) toe te passen met donorzaad. James laat de beslissing aan Monique over; zij is het die de zware hormoon- en medicijnbehandelingen moet ondergaan die daarvoor nodig zijn. Maar Monique besluit dat ze niet verder wil gaan. ‘We hebben steeds onze grenzen verlegd’, zegt James. ‘KID was voor mij aanvankelijk ook geen optie. Maar hier trekken we de grens. Op het moment dat je zelf lichamelijke risico’s gaat lopen, ga je te ver.’
James en Monique hebben nu de zekerheid dat ze altijd met zijn tweeën blijven, kinderen zullen ze niet krijgen. Voor James ligt dat nog steeds gevoelig, en dat zal wel altijd zo blijven. ‘Ik heb er nog steeds problemen mee. Ik zie ook de zin van het leven helemaal niet. Wat is dat dan? Een paar keer lekker gaan fietsen? Werken? Ik zie het echt niet en waarschijnlijk had ik daar anders over gedacht als er kinderen waren gekomen.’
Open kaart
Timmerman Dirk (34) en Rolanda (27) hebben een internetsite opgericht over onvruchtbaarheid, mede naar aanleiding van hun eigen ervaringen.
Dirk: ‘Met mijn tweede vrouw Rolanda wilde ik een toekomst opbouwen en een gezin beginnen. Daar hoefden we niet heel diep over na te denken. De pil werd aan de kant gegooid en we gingen er serieus werk van maken. Vooral in het begin was het wel raar, dat je opeens de liefde bedrijft om kinderen te krijgen. En hoe langer je ermee bezig bent, hoe meer je erop gaat letten. Dan ga je uitrekenen wanneer de vruchtbare periode valt, en naar het einde toe wordt het allemaal veel spannender. Of zeg maar rustig: dwangmatiger. Soms hadden we het echt even gehad, zeiden we: “Nu even een maand niet”. Maar ja, dan is er toch weer een maand voorbij, en ben je nog even ver.’
Via de huisarts komen Rolanda en Dirk al snel bij de gynaecoloog terecht. Die onderzoekt Rolanda en geeft Dirk het befaamde potje mee naar huis voor het vervolgonderzoek. Dirks zaad blijkt van slechte kwaliteit te zijn, mogelijk doordat hij wekenlang met koorts heeft rondgelopen. En dus krijgt hij meteen weer een potje mee voor een nieuwe test. Die pakt iets beter uit, maar is nog steeds niet super.
Dirk vraagt de gynaecoloog hoe hij zelf de kwaliteit van zijn zaad kan verbeteren, maar die weet weinig te verzinnen. Vitaminen of andere pillen vindt hij geen aanrader; de positieve werking daarvan is volgens hem niet afdoende bewezen. Maar als Dirk per se voedingssupplementen wil nemen, mag dat best, onder het motto: baat het niet dan schaadt het ook niet. Dirk: ‘Als man word je door de gynaecoloog bij dit soort dingen nauwelijks begeleid. Hij heeft bijvoorbeeld nooit gevraagd of ik misschien veel met chemische stoffen werk, of dat ik misschien de verkeerde kleding draag. Je hangt er als man eigenlijk maar een beetje bij.’
Dirk en Rolanda besluiten naar hun vrienden en bekenden open kaart te spelen, en vertellen vanaf het begin waar ze mee bezig zijn. ‘Dat leverde weleens problemen op,’ zegt Dirk. ‘Want mensen zeggen de achterlijkste dingen. Die collega die gekscherend aanbiedt om zelf maar even langs je vrouw te gaan, daar ben ik volledig op dichtgeslagen.’
Het paar begint met IUI-behandelingen, een variant op kunstmatige inseminatie, waarbij de vruchtbaarheid van de vrouw door middel van hormooninjecties wordt beïnvloed. Is er tijdens de eerste behandeling nog sprake van hooggespannen verwachtingen, langzamerhand wordt die hoop elke maand een beetje meer de bodem in geslagen. Elke keer als Rolanda ongesteld wordt, is dat een enorme teleurstelling.
Dirk: ‘Gelukkig zijn we er altijd uitgekomen samen. Daar hadden we het gisteren nog over: als alles mislukt, hebben we altijd elkaar nog. Hoe moeilijk het ook is om ons dat nu voor te stellen en hoe zwaar die dreun ook zou aankomen.’
Voorafgaand aan de volgende drie IUI-behandelingen krijgt Rolanda hormooninjecties. Maar tegen de tijd dat ze aan de vijfde behandeling toe zijn, geloven ze er niet erg meer in. ‘Je krijgt op een gegeven moment door: dit gaat niet werken,’ zegt Dirk. ‘Toen is IVF (reageerbuisbevruchting, red.) in beeld gekomen.’
Dirk en Rolanda krijgen de kans om mee te doen aan een studie naar IVF in de eigen cyclus, een behandeling die minder gezondheidsrisico’s geeft dan de gebruikelijke. Als dat niet lukt, mogen ze altijd nog meedoen aan het ‘normale’ IVF-project. De studie bestaat uit negen pogingen. Dirk: ‘Wij besloten eraan mee te doen. Ook nu weer gingen we er vol enthousiasme in. Als we naar huis gingen zeiden we tegen elkaar: nu wordt in het ziekenhuis een baby’tje gemaakt. We gingen ervan uit dat het nu toch echt zou lukken. Maar steeds werden we gebeld dat het weer niet was gelukt. Kwestie van pech, zeiden ze in het ziekenhuis. En dus hebben we het nog twee keer gedaan. Toen zagen de behandelaars geen grote kans meer dat het volgens deze manier zou lukken en is Rolanda aan een normale IVF-behandeling gaan meedoen.’
De hormoonbehandeling ging niet ongemerkt voorbij. Dirk: ‘Rolanda was buiïger en agressiever. Maar er rijpten 22 follikels, en bij een punctie wisten ze dertien eicellen veilig te stellen. Na de IVF ging het paar steevast naar huis met het idee: nu maken ze een elftalletje. Maar ook die keren lukte het weer niet.’
Bloedonderzoek
Het behandelende team besluit voor ICSI te gaan. Dirk: ‘Wij hebben nooit getwijfeld of we deze stap wel zouden zetten. Het was gewoon weer een volgende stap in het proces. Nu loopt mijn bloedonderzoek. Eerst willen ze kijken of ik geen chromosoomproblemen heb, omdat ik mijn probleem dan aan mijn kinderen zou kunnen doorgeven. ICSI is onze laatste mogelijkheid. We hebben het ook nog gehad over kunstmatige inseminatie met donorzaad, maar dat gaan we niet doen.
We willen of een kind van ons helemaal samen, of een kind van geen van beiden. Een kind dat half van ons is, dat willen we niet.’
Vorig jaar hebben Dirk en Ronalda zich ook nog ingeschreven voor adoptie. ‘Maar voor ons is het geen alternatief voor eigen kinderen. Mocht Ronalda zwanger raken, dan nemen we ook nog een adoptiekind. Voor ons is het duidelijk dat we nog maar twee kansen hebben. We beginnen ons te realiseren dat weleens zou kunnen gebeuren waar we bang voor waren: dat het niet lukt. Dan houden we er waarschijnlijk mee op. Behalve als de gynaecoloog nog mogelijkheden ziet. Dan gaan we waarschijnlijk weer een stap verder.’
Tests
Een mooi nieuw huis in een van de Nederlandse Vinex-locaties is het decor waar Henk (38) en zijn vrouw Irma (34) graag een gezin hadden willen stichten. Toch zijn ze nog steeds met zijn tweeën.
‘Stiekem heb ik me altijd afgevraagd of ik wel of niet vruchtbaar zou zijn’, zegt Henk. ‘Als kind heb ik twee keer last gehad van een opgezwollen scrotum. Op mijn zevende ben ik daar via mijn lies aan geopereerd, maar wat er toen precies is gedaan, daarvan is in mijn dossier niets meer terug te vinden. Op het oog zag alles er normaal uit en ik verdrong het een beetje.’
Henk houdt zijn twijfels voor zichzelf, ook als hij Irma leert kennen. Als na verloop van tijd Irma’s biologische klok begint te tikken, worden kinderen steeds vaker onderwerp van gesprek. Irma stopt met de pil. Henk: ‘We maakten ons niet erg druk toen ze niet meteen zwanger werd. Maar naarmate het jaar vorderde merkten we dat we met een heel ander idee aan het vrijen waren. Je bent eigenlijk aan het aftellen.’
Ze verhuizen naar een mooi ruim huis in een nieuwbouwwijk, en stellen zich al snel voor aan de nieuwe huisarts. Die haakt vlot op hun kinderwens in, en verwijst het stel naar het Diaconessenhuis in Voorburg, onder meer gespecialiseerd in vruchtbaarheidsproblemen.
Er worden twee tests uitgevoerd: een inwendig onderzoek bij Irma, wat er meteen goed uitziet. Volgens de specialisten is ze helemaal klaar voor een zwangerschap. Henk krijgt een potje mee naar huis om een monster in te kunnen leveren. Enkele dagen later krijgt hij tot zijn ontzetting te horen dat de kwaliteit veel te wensen overlaat. Het gehalte aan levende zaadcellen ligt op maar vijfentwintig procent van wat de specialist een ‘normale productie’ noemt, waarschijnlijk doordat Henk antistoffen maakt tegen zijn eigen zaadcellen.
‘Ik schrok me rot van deze uitslag, en had ook het gevoel van: zie je wel, het zit toch fout. Iets waar ik altijd bang voor was geweest werd nu bewaarheid. Het is een raar gevoel. Met de paplepel krijg je ingegoten dat mannen kinderen maken. Dan tel je pas mee. Nu werd ik geconfronteerd met het disfunctioneren van een van mijn organen en dat geeft je een heel onbevredigend, frustrerend gevoel.’
Op advies van de specialisten laten Henk en Irma zich inschrijven voor ICSI; een techniek waarbij een levende zaadcel uit het sperma van de man wordt gevist en geïnjecteerd in een eicel. Bevruchte eicellen die zich goed delen, worden vervolgens in de baarmoeder geplaatst.
Na een jaar op de wachtlijst te hebben gestaan wordt Irma behandeld. Van vier goed bevonden eicellen worden er twee bij haar teruggeplaatst. Helaas mislukt de behandeling.
Henk: ‘We hadden er zo lang naartoe geleefd, en waren er voor ons gevoel zo dichtbij geweest. De roze ballon werd doorgeprikt. Een echte deceptie.’ Toch zorgde deze ervaring voor de hoop dat een tweede behandeling wellicht wél zou lukken. ‘Maar terwijl we bij de eerste keer nog dachten: dit wordt het gouden schot, was bij de tweede keer het magische er al van af. En omdat we er al een beetje rekening mee hielden dat het fout kon gaan, kwam die klap iets minder hard aan dan de eerste keer.’












