Infarct overleven
Het kan echt iedereen overkomen: eind 1999 kreeg Ron Westerhof, voormalig hoofdredacteur van Men’s Health, een hartinfarct. Dit is zijn verhaal over het leven na de klap die meer raakt dan het hart alleen...
Het was mooi weer, de 24e december 1999. Het was al rond een uur of vier, bijna Kerstavond en heerlijk rustig op straat. Niets hield me tegen om nog een uurtje te gaan fietsen.
Op een paar minuten van huis, middenin een weids plassengebied, zag ik mijn leven in een flits aan me voorbijtrekken. Geen mens in de buurt, plotseling, uit het niets, een stekende pijn onder m’n borstbeen die ik eens heb horen omschrijven als ‘alsof een olifant z’n voorpoot op je torso plant’.
In mijn herinnering lag het dichterbij de pijnscheut die je treft als je net met je vingers tussen een dichtslaand autoportier hebt gezeten, maar dan ergens ter hoogte van het middenrif.
Happend naar adem, zittend in de berm, schoten me allerlei gedachten door het hoofd. De eerste ingeving was er een van verbazing en verontwaardiging. ‘Waarom ik?’ Bijna iedereen in mijn omgeving kwam immers voor een hartprobleem in aanmerking, behalve ik. Ik had nog nooit een ziekenhuis van binnen gezien!
Fase 1: Ontkenning
De maanden ervoor zat ik vaker op de racefiets of mountainbike en liep ik regelmatig hard. Niet te fanatiek, maar wel bewust. Dat beweging geen kwaad zou kunnen hoefde niemand me te vertellen. Al was het maar ter compensatie van mijn hectisch leven. Ruim 25 jaar in de journalistiek, maximale inzet, strakke deadlines, vaak ongeduldig, veeleisend ook, ‘goed is niet goed genoeg’. Ik rookte. En in een goed glas whisky spuugde ik niet. Maar ik had in m’n leven zoveel aan sport gedaan en dichtte mezelf een dusdanig sterke constitutie toe, dat ik nooit had verwacht dat er problemen op de loer lagen. Echt aanwijsbare klachten waren er niet, hooguit wat extra vermoeidheid, maar wie heeft daar af en toe geen last van? Misschien wilde ik het niet weten. Ontkenning is een term die meer mannen bekend in de oren moet klinken.
Ik kan me nog goed herinneren in welke tweestrijd ik verkeerde. Daar zat ik, ineengedoken in totale eenzaamheid. Het begon ook nog eens te sneeuwen. Ik had mijn mobiele telefoon in m’n hand. Moest ik op dat moment 112 bellen of wachten tot de ergste pijn was weggetrokken? Of zou ik mijn vrouw bellen, die aan het werk was? Uiteindelijk besloot ik niemand lastig te vallen. Ik redde me wel, zoals altijd. Fout, bleek achteraf.
Fase 2: Zelfoverschatting
De pijn verminderde, half lopend, half fietsend ben ik op eigen kracht thuisgekomen. Hoewel diep ademhalen moeilijk ging, ben ik toch nog even het huis uitgegaan om de bestelde kerstboodschappen op te halen. Vervolgens zeeg ik neer op de bank om daar niet meer vanaf te komen. Toen mijn vrouw ’s avonds laat thuiskwam trof zij mij asgrauw aan, hangend op de bank. Haar eerste reactie was duidelijk. ‘Waarom heb je me niet gebeld?’, schreeuwde ze woedend.
Omdat de pijn bleef aanhouden, net als de benauwdheid, belde ik aan het eind van de nacht, let wel: eerste kerstdag, mijn huisarts. Ik kon gelukkig ’s ochtends vroeg bij hem terecht. Hij stuurde me meteen naar het ziekenhuis. Na een uitgebreid onderzoek drukte de dokter mij met de neus op de feiten. ‘Er is sprake geweest van een behoorlijk infarct aan de onderwand van uw hart, vlak boven de maag. Dat de pijn verminderde, is verklaarbaar. Het komt vaker voor dat een stolsel of propje in de bloedbaan spontaan weer losschiet. U heeft geluk gehad.’
En daar lig je dan ineens op intensive care. Twee dagen totale stilte, rust en controle. Je staart naar de monitor die je hartfrequentie weergeeft, zonder dat er veel tot je doordringt. Je bent van de wereld en hoort pas later van je omgeving hoe je er eigenlijk bij lag. Verdoofd, lijkbleek, anders dan ze je kennen, zielig en kwetsbaar. Diep in mijn hart was ik er altijd van uitgegaan dat ik ooit op latere leeftijd aan een hartinfarct zou bezwijken, net als mijn vader. Maar ja, hij was 64 toen het gebeurde, ik 46!
De behandeling in het ziekenhuis was optimaal. Persoonlijke aandacht, adequaat optreden, goede informatie, al leek men enigszins verrast toen ik na enkele dagen vroeg of ik het opgestelde medische dossier mocht inzien. Deze control freak zou ze wel eens laten zien hoe snel een man kan herstellen. In gedachten stelde ik mij al verschillende targets. Binnen no time zou deze jongen weer fluitend naar buiten wandelen.
De behandelend arts en de verpleegkundigen wisten beter. Het werd niet hardop gezegd, maar ik voelde ze denken dat ik mezelf nog wel tegen zou komen. Na twee dagen intensive care werd ik overgebracht naar een normale kamer van de hartafdeling om op z’n minst nog vijf dagen te recupereren. ‘Daarna volgt een periode van twee à drie maanden revalideren’, meldde de fysiotherapeut droog.
Fase 3: Schaamte en boosheid
Aanvankelijk verliep het herstel voorspoedig. Dat wil zeggen, het fysieke herstel. Ondanks het feit dat je onder lotgenoten verkeert en onderlinge ervaringen deelt, viel me op dat iedereen nogal in zichzelf gekeerd was. Ik ook. Je wordt gekweld door een gevoel van schaamte en vernedering. Als voor-malig sportfanaat een slap balletje overgooien met een medepatiënt, is niet je favoriete bezigheid als je nog niet zo lang geleden een tennisbal feilloos over het net smashte. Eenmaal onder de douche met de andere revalidanten word je geconfronteerd met de waarheid. Er staan mannen naast je met een litteken van boven naar beneden. ‘Die hebben echt helemaal opengelegen’, spookt er door je heen.
Er is woede. Wat doe ik hier in godsnaam? Ik hoor hier niet te zijn. Waarom is mij dit overkomen? Niemand heeft een antwoord, ook de cardioloog niet. Bij een val van een paard kun je je been breken. Wie van de trap lazert, kan z’n enkelbanden scheuren. Wie met vuur(werk) speelt, loopt kans op brandwonden. Dit is anders. Een hartinfarct is vaak een samenloop van omstandigheden, zonder een exact aanwijsbare oorzaak. Erfelijke belasting speelt vaak een belangrijke rol, waardoor je dus al een risico-factor hebt zonder dat je daar veel aan kunt doen. Er zijn mensen die hun hele leven de beest uithangen en overal van verschoond blijven. Anderen leven voorbeeldig en rollen dood van het trottoir. Dit soort gedachten zet zich vast in je hoofd en zorgt voor een blokkade van het herstelproces.
Fase 4: Depressie
Na twee maanden revalidatie was mijn lichaam, vanuit cardiologisch oogpunt gezien, hersteld. Ik mocht van de arts voorzichtig mijn werk hervatten; twee dagen per week en bij voorkeur geen hele dag. Bij opkomende vermoeidheid moest ik direct stoppen en ik moest stressvolle situaties vermijden. Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Als hoofdredacteur van Men’s Health was ik gewend om bij elk proces van het blad betrokken te zijn. Van het uitzetten van artikelen tot de kant en klare pagina’s die naar de drukker gingen. Ik was niet anders gewend dan lekkere drukte, deadlines en spanning. Iedereen in je omgeving, inclusief behandelend artsen, kan dan wel zeggen dat je daaraan juist je problemen te danken hebt: zelf ervaar je dat anders.
Het feit dat je niet alles kunt wat vroeger kon, zorgt voor een vreemde angst en onzekerheid. Het voelt alsof er een ander persoon in je lichaam huist. Eén of andere schlemiel die alles fout doet wat er fout kan gaan. Mijn hele leven gooi ik het klokhuis van mijn afgegeten appel met een boogje in de prullenmand, nu zeilde hij er steevast naast. Met andere woorden: het lichaam kan niet meer wat de geest voor ogen heeft en van lieverlee wordt de geest aangetast.
Ik heb het na die eerste terugkeer, ruim twee maanden na het infarct, een maand of vier volgehouden op kantoor. Doodongelukkig. Dat had niets te maken met de mensen om me heen, maar alles met mezelf. Ik kon niet geven wat ik wilde en werd overheerst door angst en schuldgevoelens. Alles ging aan me voorbij. Ik schrok als er iemand binnenliep of als de telefoon ging. Daarnaast waren er de fysieke beperkingen. De trap met drie treden tegelijk nemen was er niet meer bij. Koffiehalen werd een zware hindernisrace.
De problemen werden groter. Er gebeurden dingen die totaal niet bij mij persoonlijkheid pasten. Reed ik vroeger in één ruk met de auto naar Milaan, nu was een ritje van tien kilometer een schier onmogelijke opgave. Met het zweet in mijn handen keek ik in de spiegel naar de auto’s achter mij. Liep ik vroeger na het parkeren twee rondjes om mijn auto, om te kijken of hij goed afgesloten was. Nu trof ik een dag later mijn auto open aan.
Ook thuis was het geen pretje. Het aantal koffiekopjes dat ik uit mijn handen heb laten vallen, is niet te tellen. Laat staan de hoeveelheid foute boodschappen waarmee ik thuiskwam. Om maar niet te spreken van persoonlijke kwesties als je – gebrek aan – seksleven. Tijdens de ziekenhuisopname word je meteen verteld dat de medicatie je libido negatief beïnvloed. Wat je niet meekrijgt: je bent maandenlang zo impotent als een dode olifant. Iedere gezonde man kan zich voorstellen wat er door je heengaat als je hem voor de derde keer niet meer overeind krijgt...
En zo stapelden de dingen zich op. Gaandeweg veranderde mijn leven in een nachtmerrie. Vertwijfeld vroeg ik mij af wanneer mijn oude ik weer bezit zou nemen van mijn lichaam. Ik besloot mijn cardioloog om raad te vragen. Op aanraden van hem heb ik het hele revalidatietraject voor een tweede keer door-lopen. Daarnaast had hij een ander voorstel: het was tijd om eens te gaan praten met de klinisch psycholoog, verbonden aan het revalidatieprogramma. Dat kon er ook nog wel bij: naast het hartinfarct bleek ik een depressie te hebben.
Depressie, en dan?
Ron Westerhof is niet de enige die te maken kreeg met depressiviteitsklachten na een infarct. Volgens zijn klinisch psycholoog, Mathieu Vosmeer, verbonden aan het hartrevalidatieprogramma van het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda, kampt globaal twintig procent met milde tot ernstige stemmingsklachten direct na het infarct. Zes maanden na het infarct blijkt ongeveer vijfentwintig procent daarmee te maken te hebben gehad.
Wanneer spreken we van een depressie?
‘Er is een belangrijk verschil is tussen depressiviteit en depressie. De stemmingsklachten na een hartinfarct zijn meestal gevoelens van somberheid en lusteloosheid die horen bij het verwerkingsproces. Een passende reactie op een ingrijpende gebeurtenis in iemands leven. Je kunt dan het beste spreken van depressiviteit.’
Wat doe je er tegen?
‘Doorgaans zijn deze klachten tijdelijk. Deelname aan een revalidatieprogramma kan helpen. Steun uit de omgeving en het ondernemen van plezierige activiteiten ook. Zo komt het vertrouwen in je eigen (fysieke) vermogens weer terug, daarmee ook het vertrouwen in je eigen aandeel in het genezingsproces en in het toekomstig functioneren.’
En wat als het langer duurt?
‘Als de stemmingsklachten aanhouden en sterker worden, kunnen ze een autonoom verloop krijgen en is er sprake van een depressie. Een psycholoog of psychotherapeut kan mensen dan vaak weer aardig op weg helpen. Het gebruik van een ondersteunend anti-depressief middel kan worden geadviseerd. Als het gaat om een depressie na het doormaken van een hartinfarct kan deze het herstelproces sterk vertragen of er voor zorgen dat mensen niet volledig revalideren.’
Hoe voorkom je een depressie?
‘Een absolute waarborg is er niet. Wel kun je zelf veel doen om de kans erop zo klein mogelijk te houden. Het onderhouden van contacten met anderen en actief blijven, horen daar zeker bij. Houd een min of meer vast dagschema aan, sta op tijd op en zorg dat per dag een beperkt aantal bezigheden ook afgemaakt worden. Het ervaren van voldoening, hoe gering ook, is van groot belang. Daarom moet je dit inplannen. Blijf daarnaast deze zogenaamde leefregels aanhouden, ook als stemmingsverbetering niet direct merkbaar is.’
Fase 5: Acceptatie
Gelukkig was er thuis iemand die de zaken op haar eigen manier wist te relativeren. Hoewel ze plotseling zat opgescheept met een totaal ander persoon dan met wie ze vier jaar eerder was getrouwd, wist zij haar kalmte en geduld te bewaren. Op haar eigen charmante, maar daarom niet minder doordringende toon, hield zij mij voor dat ik eens moest leren geduld te betrachten.
Een juiste constatering, want dat was nooit m’n sterkste eigenschap geweest. Integendeel, gaandeweg en met behulp van de psycholoog kwam ik erachter dat mijn (type A)-karakter juist de oorzaak was van de problemen. Ik had me immers altijd doelen gesteld, en ook voorgenomen dat het herstel niet te lang moest duren. In plaats van het herstelproces met veel kalmte en wijsheid tegemoet te treden zat ik mezelf op te fokken: ‘Hoe kan ik dit zo snel mogelijk overwinnen?’
Ik had het geluk dat mijn cardioloog een goed woordje voor mij deed bij de klinisch psycholoog. Daarom hoefde ik niet maandenlang op de wachtlijst te staan, maar lag ik na drie dagen bij hem ‘op de bank’. De psycholoog had relatief weinig tijd nodig om mijn probleem te analyseren en te behandelen. Hij leerde mij om het voorbijgaan van de tijd te accepteren. ‘Lukt het vandaag niet, dan morgen wel.’ Hij gaf mij een aantal handvatten waardoor ik zelf ben gaan nadenken.
Na tien sessies had de klinisch psycholoog bij mij ‘de knop om’. Langzaam maar zeker keerde de rust terug die zorgde dat ik afscheid kon nemen van mijn angst en schuldgevoel. En zo keerde langzaam maar zeker ook de vertrouwde persoon in mijn lichaam terug. De persoon die een klokhuis met een welgemikte boog in de prullenbak gooit. Soms gaat hij op het randje, soms net ernaast. Maar dat is niet erg.










