6
50640
Lifestyle

Blog: Ebru goes Down Under

DEEL 12; LAATSTE BIJDRAGE

En nu dat gevoel vasthouden...
De opmerkingen op mijn Facebook – en zelfs op Twitter – beginnen saai te worden: “wat zie jij er gelukkig uit”; “ik heb je nog nooit zo ontspannen gezien”; “je ziet er zo goed uit!”. Ik kan er slecht tegen. Niet omdat het complimenten zijn maar omdat ik het te horen krijg terwijl ik niet in mijn natuurlijke habitat zit: Amsterdam. Of – om het iets breder te trekken: Nederland. Ik hou er niet van om te horen dat ik er gelukkig uitzie terwijl ik niet thuis ben. Thuis hoor je er het allergelukkigst uit te zien.
Toch is het niet de eerste keer dat ik dit hoor. Ook als ik in mijn buitenhuis verblijf, in Turkije, roept iedereen dat ik er zo goed uitzie. Maar daar ‘mag’ het; in Turkije heb ik immers ook een thuis. Maar in Australie? Of nog iets verder weg: Nieuw Zeeland? Bovendien steekt er nog iets: ik ben zeker zes kilo zwaarder, de broek waarmee ik uit Nederland vertrok, komt met geen mogelijkheid over mijn dijen. Ja, de Personal Trainer kan zijn lol op. Dus ik zie er beter uit, terwijl ik zes kilo meer weeg en niet in Nederland verblijf. Het geeft te denken.
Wat doe ik anders, in Nieuw Zeeland? Het is een open deur: ik zit niet binnen, achter een computer terwijl het buiten regent, sneeuwt, hagelt of een andere temperatuur is waarbij ik niet op slippers kan lopen. Ik zit in een land waar de zon schijnt en waar de natuur roept om buiten te komen spelen. Wat ik vol verve doe. Zonder mijn nagels te lakken, zonder me druk te maken over welk outfitje ik aan moet, en zonder in een omgeving met designermeubelen en kunst te verblijven. Kortom: zonder enige vorm van uiterlijk vertoon. En ik leef zonder dat de samenleving, de maatschappij, keihard bij me naar binnen komt. Geen politiek waarbij mijn bloeddruk stijgt bij gebabbel van Rutte en Wilders. Geen economie of crisis waarbij ik me afvraag hoe de gemiddelde Nederlander door de winter komt (ja heus, dat doe ik). En geen stadse bezigheden zoals premieres, feesten en partijen waar je bij geweest moet zijn. Waar ik me niet aan onttrek zijn deadlines: dat zijn gewoon de aders die door mijn leven tikken en waar ik niet zonder kan. Hoewel ik af en toe schrik dat ik een dag ‘kwijt’ ben en de deadline eerder is dan verwacht. Kortom, wat ik anders doe in Nieuw Zeeland, Australie en ook Turkije, is de boel de boel laten. Nederland links laten liggen. Niet naar Pauw en Witteman kijken, geen kranten lezen en me alleen concentreren op het hier en nu: buitenspelen in de zon. Ik word er relaxt en gelukkig van.
Inmiddels ben ik onderweg naar Amsterdam. Naar huis. Met één voornemen: ook thuis wil ik relaxt en gelukkig blijven. Er zijn mensen die me tot aan de douane geven om dat voornemen vast te houden. Ik gun mezelf het voordeel van de twijfel; zo relaxt ben ik nog wel. Men's Health en Travelessence, DANK voor de waanzinnige ervaring die ik de afgelopen acht weken heb mogen meemaken. Ik kan het iedereen aanraden.

DEEL 11
Nieuw Zeeland: Vijftig tinten groen
“Maar... Waarom ga je dan niet naar het mooiste land van de hele wereld?” Andrew Morten, eigenaar van Travelessence kijkt me verbaasd aan. “Jij hebt tijd om te reizen? Nee, dat moet je naar Nieuw Zeeland. Echt, trust me, I’m a kiwi.”
Vijftien jaar geleden ben ik in Nieuw Zeeland geweest. Het viel me tegen, verwende reiziger als ik was. En jong bovendien. Ik vond het eenzaam, afgelegen en vooral onbewoond. Maar Andrew heeft gelijk: als je naar Australië gaat én je hebt de tijd, dan ben je gék als je niet ook ‘even’ naar Nieuw Zeeland afreist. Bovendien is hij de expert; hij gaat het regelen.
En dan blijft het stil. Ik hou van stilte, het betekent dat er gewerkt wordt. Op en dag zoeft de bevestiging van de tickets mijn mailbox in. En nog een tijdje later een heel reisprogramma. Het liefst heeft Andrew dat ik drie maanden wegblijf, zodat ik alle hoogtepunten van zijn geliefde Nieuw Zeeland kan zien en vooral beleven. Maar ik heb drie weken, voor mij een bonus. Het programma is aanvliegen op Christchurch (zuidereiland), en dan met de auto naar Picton rijden, waar de boot naar Wellington (noordereiland) vertrekt. En daarvandaan doorrijden naar Auckland. En op de hele route ga ik dingen zien, beleven en ondernemen. De afstanden zijn stukken minder groot dan Australië, maar o verrassing: het is een stuk drukker op de weg. Echt drukker. Waar je in Australië misschien vier tegenliggers per uur hebt, rij je hier hele stukken achter andere auto’s aan. Fijn dus! Waar ik ook geen rekening mee heb gehouden zijn de bergen. En de bochten. Een afstand van 180 kilometer doe je met gemak 2.5 uur over. De bochten en bergen zijn prachtig, zalig om te rijden (zelfs in een automaat) maar het gaat lang niet zo snel als op de vlakte van de Australische Outback. Daar staat tegenover dat de omgeving, de natuur, onwaarschijnlijk mooi en inspirerend is. Vijftig tinten groen zeg maar...

DEEL 10
Paradijselijk Autralië
Het meest indrukwekkend? Flinders Range – in combinatie met Rawnsley Park Station. De onwaarschijnlijke macht van de natuur, de grootsheid van de leegte en de schijnbaar moeiteloze aanpassing van de dieren aan hun omgeving. Dit afgezet tegen het geploeter van de mensen die hier wonen. Hun boodschappen halen ze 250 kilometer verderop – eens per twee weken. Het mobiele telefoon netwerk is niet dekkend – bij autopech moet je wachten op een passerende auto (nooit gaan lopen, bij je auto blijven!). Zonder water ga je dood. De natuur dirigeert het gedrag van mensen; het is aanpassen of wegwezen. Hun liefde voor de omgeving maar vooral de natuur geeft te denken.
Het meest onwaarschijnlijk? Tall Ship Sailing op de Whitsunday Islands. Ja, de oceaan is nét zo blauw als op de plaatjes. Het doet serieus pijn aan je ogen – en je hart, van vreugde. De kleurverschillen op het water zijn de overdrijvende wolken. Wat zouden Captain Cook en zijn bemanning gedacht hebben, toen ze na maanden zeilen vanuit Engeland hier voorbij voeren? Toch tenminste dat ze van de rand van de wereld afgezeild en in het paradijs waren terechtgekomen? Dat kán niet anders. Veel dichter bij hun ervaring kun je niet komen dan op een heus Tall Ship - een zeilschip met drie mega zeilen. Impressive.
Het meest verrassend? Het eten. In vijf weken tijd maar drie keer geen waar voor mijn honger gekregen. En alle drie de keren in Sydney, de plek waar ik – eerlijk is eerlijk – 14 dagen wél goed heb gegeten. Maar net die ene avond dat ik dacht ‘en nu ga ik ‘ns écht goed uit eten’ mislukte die opzet. Gevalletje jammer. NEXT! Daar staat tegenover dat ik báál dat ik niet in álle coffee shops die ik ben tegengekomen, álle gerechten van de kaart heb kunnen proberen. Gelukkig heb ik wel mijn best gedaan... Dus ja, dat probleem met de weegschaal lossen we in Nederland wel weer op. Prioriteiten!
Waar ik zeker nog ‘ns naar terug wil? Sydney. Voor langere tijd, om te wonen. Het is een internationale stad met stranden en een haven in een land waar de zon 250 dagen van het jaar schijnt – maar met kerst nou weer net niet. Soit. Thanks Men's Health en Travelessence voor deze ervaring!

Op naar Nieuw Zeeland.

DEEL 9
Gowlings
Dit weet alleen een local: het Gowlings Hotel. Zo’n typisch oord waar je niet alleen straal aan voorbij loopt maar ook nooit naar binnen zou gaan als je toevallig het bord wél zou zien. Aan de gevel wordt op lichtbakken met een afgrijselijke lettertype ‘Gowlings’ aangegeven. Het lijkt wel het uithangbord van een bowlinghal. De ingang is ook niet te vinden, George Street is dé winkelstraat van Sydney en tegenover het QVB, het sjieke Queen Victoria Building, verwacht je alles behalve een hotel met hippe bar. Ik ben er ook echt op gekleed: afgetrapte gympen en vale trainingsbroek. Ja eh, we gingen naar het strand om te kijken naar de Sydney – Hobart race, prima te zien vanaf Watson Bay. Dat ik in een hippe bar zou eindigen is de bonus van de dag.
De ingang van Gowlings zit om de hoek; een mevrouw met een fuchsia roze pruik praat cabaretesk de klandizie naar binnen. Het is écht op hoop van zegen. Via de lift komen we op de eerste verdieping van een hotellobby - de hipste die ik in lange tijd gezien heb. Art deco met een twist. Alsof ik in m’n mooiste borreljurk en hoogste hakken voor hem sta, vraag ik de receptionist ‘where the bar is’. Zonder een spier te vertrekken, zegt hij met een glimlach dat ik ‘around the corner’ moet zijn. Nice.
En around the corner zit de bar waar ik behoefte aan heb maar het nog niet wist. Groot en ruim. Fantastisch verlicht – donker maar sfeervol. Mooie barmannen. Sjieke bardames. Hoge bartafels en private corners. En het publiek is gemengd: van keurige kantoormensen tot verdwaalde toeristen. Ik voel me meteen thuis; de kaart, zowel het bar - als fingerfoodmenu is uitnodigend. Oh wat ben ik blij dat ik locals ben tegengekomen!
De waitress spreekt Engels met een accent; Spaans besluiten we. Ze is een variant op Penelope Cruz. “I’m French,” zegt ze. “Good, so you can’t hear my accent uh? I lived in England and now I’m here.” En nu wil ik het weten ook: wat verdienen die mensen dat het de moeite waard maakt om hier te werken? “20 AU$ an hour.” But is that enough? “Yes, yes. In restauration it is. I work 30 hours but sometimes 40-50 a week. I pay 300 AU$ rent a week, I share. So yes, it is enough.” Als haar werkvisum erop zit, blijft ze nog drie maanden fruit plukken. Je werkvisum wordt dan met een jaar verlengd. “No, I don’t want to back to France. Ever.”
Tja. Geef haar ‘ns ongelijk?

DEEL 8
Whitsundays (2)
Eerlijk? De theorie spreekt me meer aan dan de praktijk. Ja natuurlijk wil ik zeilen op de Whitsunday Islands. En ja natuurlijk wil ik dat een paar dagen doen. Maar in het diepst van mijn gedachten ben ik een contactgestoorde einzelgänger columnist. Claustrofobisch bovendien. Drie dagen op een boot met 32 anderen, die ik niet ken, zonder controle over de dagindeling en overgeleverd aan de kwaliteiten van een scheepskok? Geloof me, ik zeg stralend ‘DOEN!’. Maar in gedachten zoek ik naar de nooduitgang. Waar ik nooit, maar dan ook nooit gebruik van zal maken. Al was het maar omdat het m’n eer te na is. Iets met imago...
Op de Solway Lass is ruimte voor 32 gasten, plus veel, heel veel personeel – in mijn optiek dan. Er zijn twee schippers, Ken en Ronnie, twee ‘hands’, Elliot en Lauren, een kok en een vrijwilliger, Joe uit Canada. Zes man personeel. Op (godzijdank) zeventien gasten. Dit kan ik aan. Heus! Ik gruwel van de sanitaire voorzieningen waarbij de douche en wc in één ruimte zijn (ik ben een Rotterdammer hé, geen Amsterdammer) maar de oplossing is simpel: lekker niet douchen! En de slaapkajuiten zijn donker met vier stapelbedden en ook daar is een oplossing voor: ik laat het licht overdag aan en zorg dat ik er zelden hoef te zijn. We zitten toch de hele dag op het dek, of in het water. Ja, elk mens heeft zo z’n tics. Dit zijn de mijne. Komt de laatste: de zestien andere gasten. Er is één hele belangrijke selectie om te vermijden dat je met niet gelijkgestemden zit: vermijdt het goedkoopste aanbod. Bij alles wat goedkoop is, zitten de jongeren van 20. Die gelukkig worden van heel veel bier en die, laten we eerlijk zijn, het weinig kan schelen of ze dat bier op de Whitsundays of thuis wegklokken. De gemiddelde leeftijd op de Solway Lass is dertig plus. Op een (heel jong!) Duits koppel na zijn het allemaal werkende mensen die vier, vijf weken vrij hebben kunnen krijgen. Er is één ouder echtpaar. De nationaliteiten zijn Brits, Italiaans, Duits, Deens, Nederlands, Zwitsers en Australisch. En guess what? Iedereen is sociaal. Iedereen geniet van de reis. Iedereen deelt met elkaar de Australische reisverhalen. En iedereen verbaast zich erover dat de Whitsundays er niet zo uitzien als op de kaarten. IRL, met de wind in je gezicht en zelfs de zonnebril op je hoofd, is het allemaal nóg mooier.

DEEL 7
Whitsundays (1)
Zeg je Australië dan zeg je naast de outback, Sydney, Elle McPherson, Nicole Kidman, Russel Crowe en Hugh Jackman (die ook ja...): Whitsunday Islands. Het ligt niet op de route maar je slaat jezelf voor je kop als je naar Australië gaat en terugreist naar Nederland, zonder eerst de ansichtkaartbeelden IRL te hebben gezien. Ik bedoel, photoshop kan veel. Scepsis is goed. Kloppen die kleuren wel? Zijn die stranden echt?
Ondanks dat het uit de route lag, toch maar een vlucht geboekt. Het is anderhalf uur vanuit Sydney. Totdat je weer eens vergeet dat Australië oneindig veel tijdszones heeft. Tel er maar een uur tijd bij op. Vervolgens blijk je de vlucht naar Hamilton Island geboekt te hebben – niets mis mee, prachtig, onwaarschijnlijk prachtig eilandje in de Whitsundays. Het vliegtuig landt naast het water, je ziet de surfers paddelen terwijl je het vliegtuig uitstapt. Alles is onwaarschijnlijk idyllisch. Landen op Hamilton Island voelt als binnenkomen in een aflevering van Magnum, P.I.: overal staan keurige stewards en stewardessen die je opvangen. Behulpzaam worden de passagiers uitgesorteerd: wie gaat naar een resort op Hamilton, wie vertrekt naar een ander eiland en wie moet naar Airlie Beach? Golfkarretjes in alle soorten en maten rijden af en aan. Voor de koffers, ouderen en mensen die hier om de hoek moeten zijn. Alleen is dit niet het eiland waar ik moet zijn, de boot waarmee ik de Whitsundays zal bezoeken vertrekt vanaf Airlie Beach. Nog ‘ns vijf kwartier varen met de boot. Geen straf. Wel tijdrovend. Na drie weken steekt het Nederlandse haasthaasthaast duiveltje bij tijd en wijle nog ‘ns d’r kop op. Wegwezen! Het is mijn ongeduld om op de boot zitten, om aan te komen waar ik moet zijn, en mijn aversie tegen onderweg zijn die het duiveltje triggert. Maar eerlijk? De omgeving is te mooi en te relaxt om je ook maar ergens over druk te maken.
Ook in Airlie Beach houdt het ‘Magnum’ gevoel aan. Weer staan keurige jongens en meisjes de boot op te wachten, en zijn er chauffeurs die je voor een paar dollar afzetten waar je moet zijn. De onwaarschijnlijk behulpzame Australiers maken reizen Down Under een feest. Niets is moeilijk, alles kan, het is een kwestie van vragen. Ik word afgezet bij het boekingsburo dat de boot regelt. Om half zeven word ik opgehaald. Mevrouw Umar gaat tall ship sailen op de Solway Lass. Drie dagen. ZIN IN.

DEEL 6
Een van de mooiste programma’s van de Nederlandse televisie moet toch wel “Ik Vertrek” zijn. Niet gehinderd door enige ervaring of kennis van het land, pakken hele families hun spullen in, verkopen hun huis, nemen een extra lening en vertrekken uit Nederland. Naar in land waar ze de taal niet spreken, heg nog steg kennen “iets anders” te doen “met mensen”. Elke aflevering is het raak: tópdrama. Als single kijk ik graag met mijn Twittervrienden naar “Ik Vertrek”, waarbij mijn vraag ‘wat gaan we doen?’ standaard beantwoord wordt met “we gaan failliet aan een Bed en Breakfast”.
Kijken naar “Ik Vertrek” geneest iedereen die met het idee speelt om een bed en breakfast te beginnen. Niet dat ik daar zelf ook maar ooit aan gedacht heb. Zelfs logeren in bed en breakfasts gaat me te ver. Beetje bij mensen in huis. Met een gedeelde badkamer. Op een Ikea bed. Karigheid troef. Dus toen ik mijn Australische reisbescheiden bekeek en zag dat er op elke locatie een bed en breakfast was gereserveerd, moest ik slikken. Heel hard slikken. Totdat ik bij de eerste kwam. Lee en Judi waren tophosts in Barossa Valley www.barossahouse.com.au met een geweldig home cooked breakfast (die fruit compote, oh!) een tour door de Valley en niet onbelangrijk: een fijn onderkomen. Rawnsley Park Station www.rawnsleypark.com.au was nog beter. De eco villa die ik kreeg aangeboden was een volledig duurzaam en milieuvriendelijk vakantiehuis voorzien van alle luxe. Als ze internet hadden gehad, had ik niet verder gereisd. Een compleet andere ervaring was O’Deas Cottages in het gehucht Tintinara www.odeascottages.com.au - op een echte sheep station (boerderij). Serieus, best leuk voor een stadsmeisje, zo’n compleet farmhouse. De vijf minuten die ik de deur openliet waren precies genoeg voor zo’n 1000 vliegen om naar binnen te zwermen. Als het er niet 2.000 waren. Een hele bus RAID kwam eraan te pas om ze te verdelgen. Een boerderijk heeft zo z’n gebruiksaanwijzing... Gastvrouw Prin nam me de volgende dag mee naar haar dieren én de golfbaan. Marrinersfall was een nachtmerrie – maar volgens het gastenboek alleen de mijne. Busladingen Nederlanders schijnen hier te genieten van het ruime houten huis in het regenwoud waar niets (niets dus) is (www.marrinersfallscottages.com.au ). Ik bedoel, als je een moord wilt plegen, is dit de plek waar je moet zijn. Vrees alleen dat Susan, de onwaarschijnlijk vriendelijke gastvrouw er niet echt blij mee zou zijn. Ze heeft geen werkster en maakt de cottages zelf schoon. Maar sinds ik Val’s top bed en breakfast in Port Fairy heb gezien www.Lagoonsbay.com en van de onwaarschijnlijke gastvrijheid van Peter en Glenn bij Airlie Beach (www.whitsundaymooringsbb.com.au) heb mogen genieten, zie ik het helemaal voor me. Een B&B. Aan het strand. En dan doe ik er schrijfcursussen bij. Nu nog wat drama verzinnen om het interessant te maken voor de filmcrew van “Ik Vertrek”.

DEEL 5
Dat nieuws, he? Afgelopen week? Dat Apple maps dodelijk kan zijn? In Australië? Want niet accuraat genoeg? Well, have I got news for you: Google maps ook niet.
Australische huurauto’s (of in ieder geval die van Europcar) zijn niet standaard uitgerust met een TomTom. Die kun je extra bijhuren voor een x-bedrag per dag. Belachelijk natuurlijk in een land wat zo groot is: zonder TomTom ben je nergens. Je rijdt uren en uren zonder iemand tegen te komen, de bewegwijzering zouden wij in de Efteling nog niet durven ophangen en last but not least: je rijdt aan de andere kant van de weg. Als je weet dat die TomTom, of GPS, er niet standaard bij zit, is er niets aan de hand. Dan bestel je’m gewoon.
Helaas had ik pas aan de afhaalbalie van Europcar de tegenwoordigheid van geest om naar de GPS te vragen. Op zich logisch: de theorie van de reis is voorbij, je stáat er. Je bént er. Je moet rijden. En dan is de praktijk aan beurt: waarheen eigenlijk?! Waar ligt Barossa Valley? Hoe verhoudt zich dat tot Adelaide Airport? “No sorry,” zei de baliemedewerkster. “I’m afraid we’ve run out of GPS’s.” En dan is de eerste stop het tankstation waar je wegkaarten moet kopen. Huwelijken stranden op het lezen van de kaart en het beter weten van de chauffeur; vertrouwen in de auto is een groot goed. En moet absoluut wederzijds zijn (gratis tip). So far so good. Totdat je opeens in je stukken leest dat je Bed en Breakfast op een totaal geïsoleerde berg zit. Het ‘lijkt alsof je een 4WD nodig hebt om er te komen,’ staat in de reisbescheiden ‘maar met een normale auto kom je er ook’. Gelukkig. Uiteraard staat deze weg niet aangegeven op de gekochte kaart. Dan helpt één ding: de iPhone. Google maps to the rescue! Je voert het adres in, Google traceert waar je bent en het balletje gaat lopen zodra je rijdt. ABRACADABRA! Met zekere tred stuurt Google me de berg op. Op een gegeven moment wordt de echte weg een zandpad en het zandpad een paadje. Zoals in de stukken staat. Als het balletje van Google triomfantelijk tot stilstand komt, sta ik voor een hek. Met daarachter NIETS. De schemering valt. En ik sta bovenop de verkeerde berg. Moderne elektronica, soms hé? Soms heb je er totaal NIETS aan.

DEEL 4
Het is één grote dierentuin. Een openlucht dierentuin, dat dan weer wel. Tim, de opzichter van Rawnsley Park Station aan de voet van Flinders Ranges, ziet overal beesten die verder niemand ziet. Vooral kangaroos die schuilen onder overhangende rotsen – hij weet dat wij toeristen die het allerleukst vinden. Maar zelfs als hij naar ze wijst, kost het moeite ze te lokaliseren. Ze hebben dezelfde kleur als de rots. Ik had ze al langs de weg gezien, echt kangaroo’s, lekker schuilend in de schaduw van een boom. Altijd gezellig met z’n tweetjes. En elke keer als ik een foto wilde maken, hopsten ze weg zodra ik de auto uitstapte. Maar nu, in Flinders Ranges, stopt de auto op zo’n afstand – zij zitten zó hoog in de rotsen – dat ze niet eens de moeite nemen om te bewegen. Ze geloven het wel. De telelens biedt uitkomst –iets met de berg en Mohammed! De kangaroo’s bekijken ons. Hier zijn ze vaker alleen dan met z’n tweeën. “They seem to be as comfortable in a group as on their own,” zegt Tim. Het is confronterend hoe wij naar de beesten kijken (schattig!) en hoe de Australërs ze plaatsen (live stock). Er zijn teveel kangaroo’s. Als het veel geregend heeft, is er veel groen (lees: te eten) en blijven de kangaroo’s in leven. Dat is nu twee jaar het geval. Teveel kangaroo’s echter brengt de hele fauna uit balans, vandaar dat elke langeigenaar een jaarlijks quotum krijgt om kangaroo’s te schieten. Rawnsley Park Station, een gebied dat 120 vierkante kilometer beslaat, mocht er ruim 100 afschieten. Professionele kangarooshooters worden ingehuurd om dat te doen. “En dan?” vraag ik. De herinnering aan het zálig sappige en malse kangaroovlees staat nog in mijn herinnering gegrift. Onwaarschijnlijk lekker. Ik ben een vrouw die eet en die zonder moeite vergeet dat het vlees op mijn bord ooit schattige beestjes waren .“Dan wordt het verkocht aan de partij die het verwerkt tot dierenvoeding.” Minder spannend dan het lijkt.
Overal langs de weg zie je dode kangaroo’s. Aangereden. Op de een of andere manier zijn ze niet bang voor auto’s zoals honden of katten. Die rennen tenminste nog hard weg als ze een naderende auto horen. Kangaroo’s echter hopsen de weg op, niet gehinderd door het geluid van naderende auto’s. Totdat ze de oog in oog met de koplampen staan: ze raken verblind en verlamd. En worden aangereden. Hun karkassen zijn voer voor vogels en andere beesten. The circle of life.

DEEL 3
De grootsheid van Australië wordt nog niet eens zo zeer duidelijk door de immense afstanden maar door de leegte. Van het land, van de wegen, van de steden. Om de dag rij ik een kilometer of 500 – geen grap. Op eenbaanswegen – ook geen grap. Op zich is het geen probleem, het verkeer op de wegen is nagenoeg afwezig. Autorijden door een leeg landschap, met een enkele tegenligger, geeft je het idee dat je je in een soort niemandsland bevindt. Op zaterdag kom ik op een traject van meer dan 400 kilometer nog geen 20 auto’s tegen. Waar zijn die mensen?
In Burra, waar ik een rijpauze inlas, kom ik ze niet tegen. Wij zouden Burra een gehucht noemen, het bestaat uit één doorgaande weg; voor de Australiers is het een dorp. Drie oudjes zitten op een bankje. Of ik een ijsje heb gehaald vraagt opa. Ik snap de vraag niet. “You should get an ice cream,” herhaalt hij. “I can help you eat it.” Zijn vrouw en haar vriendin lachen om het grapje. Bij mij valt het kwartje redelijk laat. Het is dan ook 40 graden. “I need some food first,” zegt ik. “Shall I get you an ice cream?” Nee, dat is niet de bedoeling. En als ik honger heb, heb ik een probleem. Misschien dat de bakery aan de overkant nog nét open is, maar dan moet ik me haasten. Het is zaterdag, alles sluit vroeg. Ik wil niet naar de bakery. Waar zijn de mensen? Vraag ik de oudjes. “Home” is het antwoord. Het is te warm om buiten te zijn. Iets verderop is er een antiekwinkel, zeggen ze. Misschien dat ik daar iets kan krijgen. De logica is ver te zoeken, maar ik volg braaf het advies op en ga naar de antiekwinkel met de prachtige naam ‘Gaslight’. De collectie is divers: glaswerk en Agathie Christie, jurken, tasjes en meubels. Plus een coffee corner met cake. Eerlijk? Het zal mij benieuwen. Toch blijkt de Gaslight belachelijk goeie koffie en nóg betere cake te serveren. Wie komt hier in hemelsnaam eten en drinken? Wie koopt die oude zooi? Mijn oog valt op een aanplakbiljet: de Gaslight is te koop. Het blijkt zelfs een hotel te zijn. Voor wie?! “Je laat het uit je hoofd,” zegt mijn reisgenoot. Uit mijn hoofd?! Geen haar die eraan denkt. Geen háár. Waar zijn de mensen?

DEEL 2
Het komt er zonder aarzeling uit: “Ik had het veel eerder moeten doen.” Vijfenveertig jaar lang woonde Lee in Adelaide. Hij was eigenaar van een ‘plant nursery’ – een begrip dat ik moet opzoeken. Straks. Als ik weer terug ben in de Bed en Breakfast die hij tegenwoordig runt met zijn vrouw Judi. “Twaalf jaar geleden was ik uitgenodigd in Tanuda om een lezing te geven bij de Rotary. Kennen jullie de Rotary in Nederland? Oké. Daar sprak ik een oude kennis, de eigenaar van Barossa House. Ik logeerde altijd bij hem als ik hier was. Hij vertelde dat zijn arts hem had geadviseerd te stoppen met werken en te gaan genieten van het leven. Híj had net besloten zijn Bed en Breakfast te verkopen; ík had net mijn plant nursery verkocht in Adelaide. En zocht naar iets om bezig te blijven. Mijn vrouw Judi en ik zijn gaan kijken en waren het er al snel over eens. Twaalf jaar geleden kochten we Barossa House B&B. Dat had ik veel eerder moeten doen.”Eerlijk is eerlijk: ik ben een luxepoppetje. Acht weken Australië is leuk hoor, maar ik hou van knisperende lakens en zachte handdoeken. En dus slikte ik even toen ik zag dat er bed en breakfast geregeld waren. Ten onrechte. Vergeet het beeld van eenvoudige kamers met basisvoorzieningen. De B&B’s waar ik na een dag rijden aankom zijn varianten op boetiek hotelletjes waarbij alles met de grootst mogelijke zorg is samengesteld. Het zijn geen kamers, maar zelfstandige units, veelal met een woonkamer, keuken en badkamer. Vaak is er nog een tweede kamer, in een enkel geval zelfs een tweede badkamer. Alle huisjes waar ik blijf (het zijn huisjes, geeneens units!) zijn zo gebouwd dat ze volledig passen in de natuur. Op Rawnsley Park Station in Flinders Ranges zit ik in een zogenaamde ecovilla waarbij binnen en buiten alles van duurzame materialen is vervaardigd. In Adelaide Hills bestaat de B&B uit drie paalwoningappartementen in de achtertuin van de verhuurders. In Tintinara zit ik in het originele farm house wat tot een B&B is omgebouwd. En nu, in Port Fairy, zit ik in een huis op het strand – een absolute concurrent van mijn Turkse casa. Feels like home! En eigenlijk wil ik hier niet weg. Net als Lee zijn alle verhuurders wat ouder en hebben ze deze bezigheid gevonden na hun pensionering. En óveral is het een dingetje van de vrouw des huizes – die er zelf zelden is. “Mum’s in South Africa,” klonk het in Adelaide Hills. “Mum lives on the other farm,” was de tekst in Tintinara. “My wife works during week days, so I prepare breakfast,” zei Lee. Ik wil ook een B&B.
*plant nursery: bloemenplantage

DEEL 1
“Maar wat ga je er doen?!” het is de standaardvraag als je zegt dat je naar Australië gaat. En dan heb je nog niet eens gezegd dat je doorreist naar Nieuw Zeeland.

Sorry, maar wat doen mensen als ze in een vliegtuig stappen naar een land waar ze niet wonen? Ik kan niet veel meer bedenken dan ‘reizen’. Als je dan ook nog columnist bent, is de conclusie vrij simpel: reizen. En schrijven. Dát ga ik doen in Australië. En Nieuw Zeeland. “Zó lang?!” is de vervolgopmerking als je zegt dat je twee maanden weg bent. “Waarom zo lang?” Tja, waarom? Omdat het ver weg is. Omdat er veel te zien is. Omdat er veel te beleven valt. Omdat het koud is in Nederland. Omdat de zon schijnt in Australië. Omdat ik de kans krijg?

Praten over een reis van acht weken is iets anders dan het ook daadwerkelijk doen. Acht weken naar het andere eind van de wereld is niet hetzelfde als een vakantie in Europa waarbij je in dezelfde tijdszone zit. Waarbij je bij, mocht dat om de eoa reden nodig zijn, binnen een halve dag weer thuis kunt zijn. Acht weken uit een koffer leven staat haaks op het dagelijkse ‘wat is de dresscode vandaag’ ritueel, dat ik elke ochtend in mijn Nederlandse kleedkamer uitvoer. Hoe dichter mijn vertrekdatum nadert, hoe meer ik ‘m knijp. Maar wie ‘A’ zegt moet ‘B’ zeggen. Ik rond mijn werk af, laat iedereen weten dat ik via mail bereikbaar ben op de tijden waarop zij slapen, pak mijn koffer en stap in het toestel van Cathay Pacific dat me via Hong Kong naar Adelaide zal brengen.

Maar wat ga je doen?! Rondreizen. Mensen spreken, het land bekijken, dingen ondernemen en hoogst waarschijnlijk tegen mezelf aanlopen. Dat kan niet anders als je acht weken uit een koffer moet leven en vrijwel elke nacht ergens anders slaapt. Godzijdank zijn mijn backpacking days long gone – en met dank aan www.Travelessence.nl hoef ik daar ook niet naar terug. De hele trip is geregeld. Na de landing in Adelaide reis ik meteen naar Barossa Valley, met 150 wineries het hart van de Australische wijnexport. Daarvandaan gaat de reis verder naar het National Park Flinders Ranges, terug naar Adelaide, een sheep station in Tintinara, The Grampians National Park, langs de Ocean Route naar Port Fairy en Apollo Bay, Melbourne, Sydney en de Whit Sundays/ Airlie beach om uiteindelijk twee weken neer te strijken in Sydney voordat ik doorreis naar Nieuw Zeeland.

Rest slechts één vraag: wat neem ik mee? Voor acht weken?

   

Meer Lifestyle
Laad meer